Nederlandse Teckelclub

Het gebit.

Pups worden tandloos geboren. De eerste elementen van het (melk)gebit komen zo rond de 3e week door. En zo rond de 3-4 maanden wordt er een begin gemaakt om dat vlijmscherpe puppygebitje te wisselen voor het blijvende gebit.
De meeste honden hebben een scharend gebit. Dat betekent dat de ondersnijtanden nét de achterkant van de bovensnijtanden raken. Een scharend gebit wordt dan ook als het normale gebit beschouwd. Het volwassen hondengebit heeft 42 elementen.
Te weten:

12 snijtanden (6 boven en 6 onder)
4 hoektanden (2 boven en 2 onder)
16 premolaren (8 boven en 8 onder)
10 molaren (4 boven en 6 onder)

Bij het wisselen van het gebit zien we nogal eens een persisterende, oftewel een te lang aanwezig blijvende melkhoektand. Dat betekent dat de melkhoektand er nog zit als de blijvende hoektand al doorgekomen is.
Er is niet genoeg plaats voor beide elementen en daardoor zal vaak de blijvende hoektand op de verkeerde plaats komen. Met alle gevolgen vandien...! De blijvende hoektand kan in de verkeerde richting gaan groeien en problemen veroorzaken met het sluiten van de bek, of de blijvende hoektand staat te ver naar binnen waardoor zo'n element in de bovenkaak prikt. Let dus goed op het gebit van uw hond tijdens het wisselen en trek bijtijds aan de bel bij uw dierenarts als u denkt dat het niet goed gaat.

De regel hierbij is: een melktand en een blijvende tand van hetzelfde type mogen niet tegelijk op dezelfde plek in de bek aanwezig zijn!

Een hond wisselt zijn gebit maar 1x in het leven, het is dus belangrijk dat dat gebit goed onderhouden en regelmatig gereinigd wordt. Laat hem/haar regelmatig kluiven op een bot om tandplak te voorkomen. Kijk het gebit regelmatig na op tandplak/tandsteen en verwijder dit zonodig. Er zijn in de dierenspeciaalzaken speciale tandkrabbertjes te koop, of laat het door uw dierenarts



 

Marijke Kok




© Nederlandse Teckelclub